aflezen
werkwoordBetekenis
- de meetwaarde bepalen door te kijken naar een meetapparaat
werkwoord
- door kijken een waarde van iets bepalen
Vervoeging van aflezen
aflezenhele werkwoord — las afverleden tijd enkelvoud — lazen afverleden tijd meervoud — afgelezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lees af | las af |
| jij | leest af | laast af |
| hij, zij, het | leest af | las af |
| wij | lezen af | lazen af |
| jullie | lezen af | lazen af |
| zij | lezen af | lazen af |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te lezen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen lezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal lezen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen lezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen lezen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult lezen | bijzin, toekomende tijd |
| afgelezen | verleden tijd, deelwoord |
| afgelezen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgelezen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgelezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelezen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelezen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgelezen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgelezen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgelezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgelezen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgelezen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aflaast | bijzin, verleden tijd |
| aflas | bijzin, verleden tijd |
| aflazen | bijzin, verleden tijd |
| aflees | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afleest | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aflezend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgelezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgelezen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgelezen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgelezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgelezen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgelezen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgelezen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgelezen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgelezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| las af | verleden tijd |
| lees af | gebiedende wijs |
| te hebben afgelezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aflezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgelezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgelezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgelezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aflezen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aflezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aflezen af zou(dt) lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aflezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgelezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aflezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgelezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgelezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgelezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgelezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aflezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aflezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aflezen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af en lezen
Woordfamilie van aflezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgelezen | voltooid deelwoord | aflezen |
| aflazen | subordinate-clause, verleden tijd | aflezen |
| aflees | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aflezen |
| afleest | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aflezen |
| afleze | with-subordinate-clause | aflezen |
| aflezend | onvoltooid deelwoord | aflezen |
| aflezende | woordvorm | aflezen |
| lazen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aflezen |
| lees af | gebiedende wijs | aflezen |
| leest af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aflezen |
| leze af | woordvorm | aflezen |
| lezen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aflezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aflezen zijn vastgelegd.