voltrekken
werkwoord /vɔl'trɛkə(n)/Betekenis
- ten uitvoer brengen
- zich ~: gebeuren
Hoe spreek je voltrekken uit?
/vɔlˈtrɛkən/
Voltrekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɔ | bot |
| l | land |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van voltrekken
voltrekkenhele werkwoord — voltrokverleden tijd enkelvoud — voltrokkenverleden tijd meervoud — voltrokkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voltrek | voltrok |
| jij | voltrekt | voltrok |
| hij, zij, het | voltrekt | voltrok |
| wij | voltrekken | voltrokken |
| jullie | voltrekken | voltrokken |
| zij | voltrekken | voltrokken |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voltrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voltrokken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voltrokken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voltrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voltrokken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voltrokken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voltrokken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voltrokken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voltrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voltrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voltrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voltrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voltrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voltrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voltrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voltrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voltrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te voltrekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voltrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voltrek | gebiedende wijs |
| voltrek me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| voltrek u/je , voltrekt je | gebiedende wijs |
| voltrekke | aanvoegende wijs |
| voltrekke zich | aanvoegende wijs |
| voltrekken je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| voltrekken ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| voltrekken zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| voltrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| voltrekt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| voltrekt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| voltrekt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| voltrekt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| voltrekt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| voltrekt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| voltrok | verleden tijd |
| voltrok je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| voltrok me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| voltrok u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| voltrok u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| voltrok zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| voltrok zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| voltrok zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| voltrokken | verleden tijd, deelwoord |
| voltrokken je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| voltrokken ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| voltrokken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voltrokken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voltrokken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voltrokken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voltrokken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voltrokken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voltrokken zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| voltrokken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voltrokken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voltrokken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voltrokken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart voltrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voltrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voltrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voltrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voltrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voltrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voltrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voltrokken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me voltrekken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voltrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voltrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voltrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voltrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voltrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voltrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voltrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich voltrekken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je voltrekken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich voltrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| zich voltrokken hebben | verleden tijd |
| zijn voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voltrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voltrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voltrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voltrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voltrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voltrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voltrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voltrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voltrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voltrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voltrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voltrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voltrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voltrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voltrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voltrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voltrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voltrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voltrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voltrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voltrokken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voltrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je voltrekken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons voltrekken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen voltrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voltrekken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘volvoeren’ voor het eerst aangetroffen in 1368
Woordfamilie van voltrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voltrek | gebiedende wijs | voltrekken |
| voltrekke | aanvoegende wijs | voltrekken |
| voltrekkend | onvoltooid deelwoord | voltrekken |
| voltrekkende | woordvorm | voltrekken |
| voltrekt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voltrekken |
| voltrok | verleden tijd | voltrekken |
| voltrokken | voltooid deelwoord | voltrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voltrekken zijn vastgelegd.