buidel
zelfstandig naamwoord ˈbœydəlBetekenis
- een stevige, vaak leren of stoffen zak waarin vaak kostbare zaken zoals geld meegedragen worden
- huidplooi bij buideldieren waarin de jongen zich ophouden
Hoe spreek je buidel uit?
/ˈbœydəl/
Buidel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| œy | huis |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- huidplooi bij buideldieren waarin de jongen zich de eerste tijd na hun geboorte ophouden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buidels | meervoud |
| buideltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buideltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘zak’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van buidel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buidels | meervoud | buidel |
| buideltje | verkleinwoord | buidel |
| buideltjes | verkleinwoord meervoud | buidel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buidel zijn vastgelegd.