biggelen
werkwoordBetekenis
- naar beneden stromen / rollen
Vervoeging van biggelen
biggelenhele werkwoord — biggeldeverleden tijd enkelvoud — biggeldenverleden tijd meervoud — gebiggeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | biggel | biggelde |
| jij | biggelt | biggelde |
| hij, zij, het | biggelt | biggelde |
| wij | biggelen | biggelden |
| jullie | biggelen | biggelden |
| zij | biggelen | biggelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| biggel | gebiedende wijs |
| biggelde | verleden tijd |
| biggele | aanvoegende wijs |
| biggelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebiggeld | verleden tijd, deelwoord |
| gebiggeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebiggeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebiggeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebiggeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebiggeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebiggeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebiggeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebiggeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebiggeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebiggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebiggeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebiggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebiggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebiggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebiggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebiggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebiggeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te biggelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebiggeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen biggelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebiggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebiggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebiggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebiggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebiggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebiggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebiggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebiggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebiggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebiggeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen biggelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebiggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebiggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebiggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult biggelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebiggeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘(van tranen) naar beneden rollen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van biggelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| biggel | gebiedende wijs | biggelen |
| biggelde | verleden tijd | biggelen |
| biggelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | biggelen |
| biggele | aanvoegende wijs | biggelen |
| biggelend | onvoltooid deelwoord | biggelen |
| biggelende | woordvorm | biggelen |
| biggelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | biggelen |
| gebiggeld | voltooid deelwoord | biggelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van biggelen zijn vastgelegd.