bekladder
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- iemand die op een vernielzuchtige manier iets met opzet smerig maakt
- iemand die de goede naam van iemand aantast
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bekladders | meervoud |
| bekladdertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bekladdertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekladderen
- gebiedende wijs van bekladderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekladderen
Vervoeging van bekladder
bekladderhele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling van bekladden met het achtervoegsel -er
Woordfamilie van bekladder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bekladders | meervoud | bekladder |
| bekladdertje | verkleinwoord | bekladder |
| bekladdertjes | verkleinwoord meervoud | bekladder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bekladder zijn vastgelegd.