baken
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een markering, meer in het bijzonder gebruikt in de lucht- en scheepvaart voor herkenningstekens
- bakken
- seinteken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bakens | meervoud |
| bakentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bakentjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord baak
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bakens | meervoud |
| bakentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bakentjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bakenen
- gebiedende wijs van bakenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bakenen
Vervoeging van baken
bakenhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Fries, in de betekenis van ‘vast merk dat vaarwater aangeeft’ voor het eerst aangetroffen in 1284
Woordfamilie van baken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bakens | meervoud | baken |
| bakentje | verkleinwoord | baken |
| bakentjes | verkleinwoord meervoud | baken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van baken zijn vastgelegd.