verhelderen
werkwoordBetekenis
- helderder, duidelijker maken
Vervoeging van verhelderen
verhelderenhele werkwoord — verhelderdeverleden tijd enkelvoud — verhelderdenverleden tijd meervoud — verhelderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verhelder | verhelderde |
| jij | verheldert | verhelderde |
| hij, zij, het | verheldert | verhelderde |
| wij | verhelderen | verhelderden |
| jullie | verhelderen | verhelderden |
| zij | verhelderen | verhelderden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verhelderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verhelderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verhelderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verhelderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verhelderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verhelderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verhelderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verhelderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verhelderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verhelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verhelderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verhelderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verhelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verhelderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verhelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhelderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verhelderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verhelderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verhelderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhelder | gebiedende wijs |
| verhelderd | verleden tijd, deelwoord |
| verhelderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhelderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhelderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhelderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhelderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhelderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhelderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhelderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhelderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhelderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhelderde | verleden tijd |
| verheldere | aanvoegende wijs |
| verhelderend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verhelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhelderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verhelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhelderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verhelderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verhelderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verhelderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verhelderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verhelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verhelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verhelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verhelderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verhelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verhelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verhelderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhelderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verhelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhelderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verhelderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhelderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhelderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhelderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van helder met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verhelderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verhelder | gebiedende wijs | verhelderen |
| verhelderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verhelderen |
| verheldere | aanvoegende wijs | verhelderen |
| verheldert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verhelderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhelderen zijn vastgelegd.