scheiden
werkwoord /ˈsxɛi̯də(n)/Betekenis
- in afzondering brengen
- het samenzijn of de omgang van personen verbreken of verbroken houden
- ~ van: een huwelijksband verbreken
- uiteengaan
- zich ~: afsplitsen
Hoe spreek je scheiden uit?
/ˈsxɛidən/
Scheiden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ~ van: een huwelijksband wettelijk verbreken ergative
- met ontslag gaan
Vervoeging van scheiden
scheidenhele werkwoord — scheiddeverleden tijd enkelvoud — scheiddenverleden tijd meervoud — gescheidenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheid | scheidde |
| jij | scheidt | scheidde |
| hij, zij, het | scheidt | scheidde |
| wij | scheiden | scheidden |
| jullie | scheiden | scheidden |
| zij | scheiden | scheidden |
Alle 161 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (schied) | verleden tijd |
| - | impersonal, passief |
| ben gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gescheiden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gescheiden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gescheiden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gescheiden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gescheiden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gescheiden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gescheiden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gescheiden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gescheiden | verleden tijd, deelwoord |
| gescheiden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gescheiden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gescheiden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescheiden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescheiden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gescheiden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gescheiden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gescheiden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gescheiden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gescheiden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gescheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gescheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gescheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gescheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gescheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gescheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gescheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescheiden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheid | gebiedende wijs |
| scheid me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| scheid u/je , scheidt je | gebiedende wijs |
| scheidde | verleden tijd |
| scheidde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| scheidde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| scheidde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| scheidde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| scheidde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| scheidde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| scheidde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| scheidden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| scheidden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| scheidden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| scheide | aanvoegende wijs |
| scheide zich | aanvoegende wijs |
| scheiden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scheiden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scheiden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scheidend | onvoltooid, deelwoord |
| scheidt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| scheidt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| scheidt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| scheidt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| scheidt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| scheidt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben gescheiden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te scheiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen scheiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gescheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gescheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gescheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gescheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gescheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gescheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gescheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gescheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gescheiden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gescheiden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me scheiden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal scheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal scheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal scheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich scheiden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je scheiden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gescheiden hebben | verleden tijd |
| zich scheidend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gescheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gescheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou scheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou scheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou scheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gescheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gescheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gescheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden scheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden scheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden scheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gescheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt scheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
Via West-Germaans *skaiþan/skaidan- en Protogermaans *skaiþaną. In de betekenis van ‘een verbinding verbreken’ voor het eerst aangetroffen in 1100.
Woordfamilie van scheiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gescheiden | voltooid deelwoord | scheiden |
| scheid | gebiedende wijs | scheiden |
| scheidde | verleden tijd | scheiden |
| scheidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | scheiden |
| scheide | aanvoegende wijs | scheiden |
| scheidend | onvoltooid deelwoord | scheiden |
| scheidende | woordvorm | scheiden |
| scheidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | scheiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheiden zijn vastgelegd.