Naar de inhoud

scheiden

in afzondering brengen

scheiden

werkwoord /ˈsxɛi̯də(n)/

Betekenis

  1. in afzondering brengen
  2. het samenzijn of de omgang van personen verbreken of verbroken houden
  3. ~ van: een huwelijksband verbreken
  4. uiteengaan
  5. zich ~: afsplitsen

Hoe spreek je scheiden uit?

/ˈsxɛidən/

Scheiden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsxɛidən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
x acht
ɛi trein
d dak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. ~ van: een huwelijksband wettelijk verbreken ergative
  2. met ontslag gaan

Vervoeging van scheiden

scheidenhele werkwoord — scheiddeverleden tijd enkelvoud — scheiddenverleden tijd meervoud — gescheidenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik scheid scheidde
jij scheidt scheidde
hij, zij, het scheidt scheidde
wij scheiden scheidden
jullie scheiden scheidden
zij scheiden scheidden
Alle 161 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
(schied) verleden tijd
- impersonal, passief
ben gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gescheiden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gescheiden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gescheiden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gescheiden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gescheiden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gescheiden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gescheiden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gescheiden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gescheiden verleden tijd, deelwoord
gescheiden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gescheiden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gescheiden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gescheiden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gescheiden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gescheiden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gescheiden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gescheiden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gescheiden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gescheiden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gescheiden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gescheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gescheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gescheiden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gescheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gescheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gescheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gescheiden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
scheid gebiedende wijs
scheid me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
scheid u/je , scheidt je gebiedende wijs
scheidde verleden tijd
scheidde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
scheidde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
scheidde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
scheidde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
scheidde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
scheidde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
scheidde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
scheidden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
scheidden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
scheidden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
scheide aanvoegende wijs
scheide zich aanvoegende wijs
scheiden je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
scheiden ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
scheiden zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
scheidend onvoltooid, deelwoord
scheidt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
scheidt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
scheidt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
scheidt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
scheidt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
scheidt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
te hebben gescheiden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te scheiden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen scheiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gescheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gescheiden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gescheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gescheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gescheiden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gescheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gescheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gescheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gescheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gescheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gescheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gescheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gescheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gescheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gescheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gescheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gescheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gescheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gescheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gescheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gescheiden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gescheiden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me scheiden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal scheiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal scheiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal scheiden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich scheiden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je scheiden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gescheiden hebben verleden tijd
zich scheidend onvoltooid, deelwoord
zijn gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gescheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gescheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gescheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou scheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou scheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou scheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gescheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gescheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gescheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden scheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden scheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden scheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gescheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt scheiden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

Via West-Germaans *skaiþan/skaidan- en Protogermaans *skaiþaną. In de betekenis van ‘een verbinding verbreken’ voor het eerst aangetroffen in 1100.

Woordfamilie van scheiden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gescheiden voltooid deelwoord scheiden
scheid gebiedende wijs scheiden
scheidde verleden tijd scheiden
scheidden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon scheiden
scheide aanvoegende wijs scheiden
scheidend onvoltooid deelwoord scheiden
scheidende woordvorm scheiden
scheidt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon scheiden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheiden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over scheiden

Hoe spreek ik scheiden uit?
Zo spreek je scheiden uit: /ˈsxɛi̯də(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van scheiden?
Scheiden is een werkwoord. De betekenis is: in afzondering brengen. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik scheiden?
Zo vervoeg je scheiden zo: de tegenwoordige tijd is scheid, de verleden tijd is scheidde en het voltooid deelwoord is gescheiden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op scheiden?

In dit woordenboek rijmen 45 woorden op -den op scheiden, zoals overlijden, vermijden en heiden. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op scheiden, uitspraak ˈsxɛidən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
overlijden 4
vermijden 3
heiden 2
begeleiden 4
medelijden 4
strijden 2
voorbereiden 4
lijden 2
bestrijden 3
leiden 2
rijden 2
glijden 2
zijden 2
kastijden 3
onderscheiden 4
schrijden 2
overrijden 4
verleiden 3
bezijden 3
zelfmedelijden 6
verbreiden 3
hongerlijden 4
verwijden 3
ontwijden 3
rekeningrijden 5
aanbestedingsbeleiden 7
aanlooptijden 4
aanrijtijden 4
aanvangstijden 4
amstelveen 2
begeleidden 4
bergweiden 4
binnenleiden 4
breeën 2
breiden 2
emancipatiestrijden 7
gescheiden 3
hondenweiden 4
jaargetijden 4
komkommertijden 5
Nog 5 rijmwoorden
ontvoogdingsstrijden 5
openingstijden 5
prestigestrijden 5
zeiden 2
zorgtijden 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord scheiden is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. E 1
  5. I 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

scheiden levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. E 1
  5. I 2
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

scheiden in het kort

scheiden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van scheiden staan er 104 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort scheiden bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

scheiden: in afzondering brengen
Deel scheiden — standaardnederlands.nl