lijden
werkwoord ˈlɛidə(n)Betekenis
- l lijden aan: het hebben van een ziekte, aandoening of afwijking
Hoe spreek je lijden uit?
/ˈlɛidən/
Lijden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als leiden, amstelveen.
werkwoord
- in ellende verkeren; schade ondervinden; ergative
- smart en ellende ondergaan; verdragen; unergative
- ~ aan het hebben van een ziekte, aandoening of afwijking (ook fig.)
- dulden, verdragen ergative
- ervaren, ondergaan, ondervinden, verduren (zonder dat de ervaring zelf negatief hoeft te zijn, zoals wel in bet. 1) ergative, obsolete
Vervoeging van lijden
lijdenhele werkwoord — leedverleden tijd enkelvoud — ledenverleden tijd meervoud — geledenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lijd | leed |
| jij | lijdt | leed |
| hij, zij, het | lijdt | leed |
| wij | lijden | leden |
| jullie | lijden | leden |
| zij | lijden | leden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geleden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geleden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geleden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geleden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geleden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geleden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geleden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geleden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geleden | verleden tijd, deelwoord |
| geleden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geleden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leed | verleden tijd |
| lijd | gebiedende wijs |
| lijde | aanvoegende wijs |
| lijdend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geleden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geleden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geleden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geleden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geleden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geleden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geleden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geleden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘verduren, ondergaan’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van lijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lijd | gebiedende wijs | lijden |
| lijde | aanvoegende wijs | lijden |
| lijdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lijden zijn vastgelegd.