Naar de inhoud

rijden

zich verplaatsen met behulp van een voertuig

rijden

werkwoord ˈrɛidə(n)

Betekenis

  1. zich verplaatsen met behulp van een voertuig
  2. iemand met een voertuig ergens heen brengen
  3. zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)

Hoe spreek je rijden uit?

/ˈrɛidən/

Rijden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈrɛidən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
r rood
ɛi trein
d dak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. het zich rollend verplaatsen van een voertuig

Vervoeging van rijden

rijdenhele werkwoord — reedverleden tijd enkelvoud — redenverleden tijd meervoud — geredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rij reed
jij rijdt reed
hij, zij, het rijdt reed
wij rijden reden
jullie rijden reden
zij rijden reden
Alle 130 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gereden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gereden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gereden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gereden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gereden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gereden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. rijd / rij gebiedende wijs
gereden verleden tijd, deelwoord
gereden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gereden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gereden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereden te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gereden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gereden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereden zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reed verleden tijd
rijde aanvoegende wijs
rijdend onvoltooid, deelwoord
te hebben gereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te rijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn gereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van rijen

Vervoeging van rijden

rijdenhele werkwoord — reedverleden tijd enkelvoud — redenverleden tijd meervoud — geredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rij reed
jij rijdt reed
hij, zij, het rijdt reed
wij rijden reden
jullie rijden reden
zij rijden reden
Alle 130 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gereden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gereden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gereden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gereden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gereden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gereden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gereden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. rijd / rij gebiedende wijs
gereden verleden tijd, deelwoord
gereden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gereden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gereden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereden te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gereden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gereden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gereden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereden zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gereden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reed verleden tijd
rijde aanvoegende wijs
rijdend onvoltooid, deelwoord
te hebben gereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te rijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zijn gereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gereden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gereden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gereden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gereden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gereden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gereden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gereden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gereden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gereden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gereden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gereden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt rijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gereden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gereden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gereden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen rijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gereden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gereden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gereden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult rijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘zich voortbewegen in of op een voertuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220

Woordfamilie van rijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gereden voltooid deelwoord rijden
rijd aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon rijden
rijdt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon rijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over rijden

Hoe spreek ik rijden uit?
Zo spreek je rijden uit: /ˈrɛidə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van rijden?
Rijden is een werkwoord. De betekenis is: zich verplaatsen met behulp van een voertuig. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik rijden?
Zo vervoeg je rijden zo: de tegenwoordige tijd is rij, de verleden tijd is reed en het voltooid deelwoord is gereden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op rijden?

Er staan 45 woorden in dit woordenboek die op rijden rijmen, waaronder overlijden, vermijden en heiden. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op rijden, uitspraak ˈrɛidən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
overlijden 4
vermijden 3
heiden 2
begeleiden 4
medelijden 4
strijden 2
voorbereiden 4
scheiden 2
lijden 2
bestrijden 3
leiden 2
glijden 2
zijden 2
kastijden 3
onderscheiden 4
schrijden 2
overrijden 4
verleiden 3
bezijden 3
zelfmedelijden 6
verbreiden 3
hongerlijden 4
verwijden 3
ontwijden 3
rekeningrijden 5
aanbestedingsbeleiden 7
aanlooptijden 4
aanrijtijden 4
aanvangstijden 4
amstelveen 2
begeleidden 4
bergweiden 4
binnenleiden 4
breeën 2
breiden 2
emancipatiestrijden 7
gescheiden 3
hondenweiden 4
jaargetijden 4
komkommertijden 5
Nog 5 rijmwoorden
ontvoogdingsstrijden 5
openingstijden 5
prestigestrijden 5
zeiden 2
zorgtijden 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord rijden is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. I 1
  3. J 4
  4. D 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

rijden levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. I 2
  3. J 4
  4. D 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

rijden telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

rijden in het kort

rijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van rijden staan er 78 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort rijden bij een woordfamilie van 3 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

rijden: zich verplaatsen met behulp van een voertuig
Deel rijden — standaardnederlands.nl