rijden
werkwoord ˈrɛidə(n)Betekenis
- zich verplaatsen met behulp van een voertuig
- iemand met een voertuig ergens heen brengen
- zich voortbewegen op een rijdier (bijv. een paard)
Hoe spreek je rijden uit?
/ˈrɛidən/
Rijden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- het zich rollend verplaatsen van een voertuig
Vervoeging van rijden
rijdenhele werkwoord — reedverleden tijd enkelvoud — redenverleden tijd meervoud — geredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij | reed |
| jij | rijdt | reed |
| hij, zij, het | rijdt | reed |
| wij | rijden | reden |
| jullie | rijden | reden |
| zij | rijden | reden |
Alle 130 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gereden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gereden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gereden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gereden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gereden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gereden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. rijd / rij | gebiedende wijs |
| gereden | verleden tijd, deelwoord |
| gereden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gereden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gereden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed | verleden tijd |
| rijde | aanvoegende wijs |
| rijdend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van rijen
Vervoeging van rijden
rijdenhele werkwoord — reedverleden tijd enkelvoud — redenverleden tijd meervoud — geredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rij | reed |
| jij | rijdt | reed |
| hij, zij, het | rijdt | reed |
| wij | rijden | reden |
| jullie | rijden | reden |
| zij | rijden | reden |
Alle 130 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gereden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gereden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gereden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gereden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gereden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gereden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gereden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. rijd / rij | gebiedende wijs |
| gereden | verleden tijd, deelwoord |
| gereden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gereden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gereden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gereden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gereden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gereden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reed | verleden tijd |
| rijde | aanvoegende wijs |
| rijdend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gereden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gereden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gereden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gereden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gereden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gereden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gereden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gereden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gereden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gereden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gereden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gereden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zich voortbewegen in of op een voertuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
Woordfamilie van rijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gereden | voltooid deelwoord | rijden |
| rijd | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | rijden |
| rijdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijden zijn vastgelegd.