leiden
werkwoord ˈlɛidə(n)Betekenis
- een leidinggevende functie hebben
- tot; iets tot gevolg hebben
- naar; sturen, brengen, geleiden
Hoe spreek je leiden uit?
/ˈlɛidən/
Leiden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛi | trein |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als lijden, amstelveen.
werkwoord
- ~ tot; iets tot gevolg hebben
- ~ naar; sturen, brengen, geleiden
- ~ door: voeren door een bepaald gebied
Vervoeging van leiden
leidenhele werkwoord — leiddeverleden tijd enkelvoud — leiddenverleden tijd meervoud — geleidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leid | leidde |
| jij | leidt | leidde |
| hij, zij, het | leidt | leidde |
| wij | leiden | leidden |
| jullie | leiden | leidden |
| zij | leiden | leidden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geleid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geleid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geleid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geleid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geleid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geleid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geleid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geleid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geleid | verleden tijd, deelwoord |
| geleid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geleid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geleid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geleid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geleid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geleid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geleid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geleid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geleid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geleid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leid | gebiedende wijs |
| leidde | verleden tijd |
| leide | aanvoegende wijs |
| leidend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geleid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te leiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen leiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geleid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geleid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal leiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal leiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal leiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou leiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou leiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou leiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden leiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden leiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden leiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geleid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt leiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geleid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geleid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen leiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen leiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen leiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen leiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geleid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult leiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘doen gaan, aanvoeren’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van leiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leid | gebiedende wijs | leiden |
| leidde | verleden tijd | leiden |
| leidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | leiden |
| leide | aanvoegende wijs | leiden |
| leidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | leiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leiden zijn vastgelegd.