Naar de inhoud

kastijden

lijfstraf in uitvoering brengen

kastijden is meer dan één woord

kastijden

werkwoord, zelfstandig naamwoord kɑsˈtɛidə(n)

Betekenis

  1. lijfstraf in uitvoering brengen
  2. tijdstippen waartussen een kantoor de gelegenheid geeft voor transacties met contant geld

Hoe spreek je kastijden uit?

/kɑsˈtɛidən/

Kastijden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /kɑsˈtɛidən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
k kat
ɑ bad
s sok
t tak
ɛi trein
d dak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van kastijden

kastijdenhele werkwoord — kastijddeverleden tijd enkelvoud — kastijddenverleden tijd meervoud — gekastijdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kastijd kastijdde
jij kastijdt kastijdde
hij, zij, het kastijdt kastijdde
wij kastijden kastijdden
jullie kastijden kastijdden
zij kastijden kastijdden
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gekastijd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gekastijd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gekastijd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gekastijd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gekastijd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gekastijd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gekastijd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gekastijd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gekastijd verleden tijd, deelwoord
gekastijd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekastijd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gekastijd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekastijd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekastijd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gekastijd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekastijd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gekastijd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekastijd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gekastijd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gekastijd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gekastijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gekastijd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gekastijd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gekastijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gekastijd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gekastijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekastijd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kastijd gebiedende wijs
kastijdde verleden tijd
kastijde aanvoegende wijs
kastijdend onvoltooid, deelwoord
kastíj́den canonical
te hebben gekastijd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te kastijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kastijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gekastijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekastijd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gekastijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gekastijd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gekastijd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gekastijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gekastijd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gekastijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gekastijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gekastijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gekastijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gekastijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gekastijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gekastijd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gekastijd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gekastijd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gekastijd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gekastijd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gekastijd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gekastijd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gekastijd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekastijd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gekastijd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gekastijd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gekastijd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kastijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kastijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kastijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gekastijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gekastijd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekastijd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekastijd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekastijd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gekastijd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gekastijd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kastijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kastijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kastijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gekastijd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekastijd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekastijd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gekastijd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gekastijd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gekastijd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kastijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kastijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kastijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gekastijd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gekastijd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kastijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gekastijd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekastijd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekastijd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gekastijd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gekastijd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gekastijd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kastijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kastijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kastijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kastijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gekastijd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gekastijd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gekastijd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult kastijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord kastijd

Herkomst

kastíj́den: via Middelnederlands castien en mogelijk Oudnederlands *kestigon van Latijn castigare, in de betekenis van ‘tuchtigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Woordfamilie van kastijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gekastijd voltooid deelwoord kastijden
gekastijde woordvorm kastijden
kastijdde verleden tijd kastijden
kastijdden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kastijden
kastijde aanvoegende wijs kastijden
kastijdend onvoltooid deelwoord kastijden
kastijdende woordvorm kastijden
kastijdt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kastijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kastijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over kastijden

Hoe spreek je kastijden uit?
De uitspraak van kastijden is: /kɑsˈtɛidə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent kastijden?
Kastijden is een werkwoord. Het woord betekent: lijfstraf in uitvoering brengen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je kastijden?
Je vervoegt kastijden als volgt: de tegenwoordige tijd is kastijd, de verleden tijd is kastijdde en het voltooid deelwoord is gekastijd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op kastijden?

Op kastijden rijmen 45 woorden, onder andere overlijden, vermijden en heiden. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op kastijden, uitspraak kɑsˈtɛidən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
overlijden 4
vermijden 3
heiden 2
begeleiden 4
medelijden 4
strijden 2
voorbereiden 4
scheiden 2
lijden 2
bestrijden 3
leiden 2
rijden 2
glijden 2
zijden 2
onderscheiden 4
schrijden 2
overrijden 4
verleiden 3
bezijden 3
zelfmedelijden 6
verbreiden 3
hongerlijden 4
verwijden 3
ontwijden 3
rekeningrijden 5
aanbestedingsbeleiden 7
aanlooptijden 4
aanrijtijden 4
aanvangstijden 4
amstelveen 2
begeleidden 4
bergweiden 4
binnenleiden 4
breeën 2
breiden 2
emancipatiestrijden 7
gescheiden 3
hondenweiden 4
jaargetijden 4
komkommertijden 5
Nog 5 rijmwoorden
ontvoogdingsstrijden 5
openingstijden 5
prestigestrijden 5
zeiden 2
zorgtijden 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kastijden is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. I 1
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kastijden levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. I 2
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

kastijden in het kort

kastijden is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van kastijden zijn 76 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort kastijden bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

kastijden: lijfstraf in uitvoering brengen
Deel kastijden — standaardnederlands.nl