scheeloog
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die scheel ziekt, iemand met strabismus
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| scheelogen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van scheel bn en oog zn
Woordfamilie van scheeloog
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scheelogen | meervoud | scheeloog |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheeloog zijn vastgelegd.