scheefwonen
werkwoordBetekenis
- in een goedkope huurwoning wonen terwijl men een relatief hoog inkomen heeft of in een dure terwijl men over een verhoudingsgewijs laag inkomen beschikt waarbij de politiek vooral de eerste groep wil aanpakken
Vervoeging van scheefwonen
scheefwonenhele werkwoord — woonde scheefverleden tijd enkelvoud — woonden scheefverleden tijd meervoud — scheefgewoondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | woon scheef | woonde scheef |
| jij | woont scheef | woonde scheef |
| hij, zij, het | woont scheef | woonde scheef |
| wij | wonen scheef | woonden scheef |
| jullie | wonen scheef | woonden scheef |
| zij | wonen scheef | woonden scheef |
Alle 46 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| scheef te wonen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| scheef te zullen wonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| scheef zal wonen | bijzin, toekomende tijd |
| scheef zou wonen | bijzin, voorwaardelijk |
| scheef zouden wonen | bijzin, voorwaardelijk |
| scheef zoudt wonen | bijzin, voorwaardelijk |
| scheef zullen wonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| scheef zullen wonen | bijzin, toekomende tijd |
| scheef zult wonen | bijzin, toekomende tijd |
| scheefgewoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| scheefgewoond | verleden tijd, deelwoord |
| scheefgewoond te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| scheefgewoond zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| scheefwonend | onvoltooid, deelwoord |
| scheefwoon | bijzin, tegenwoordige tijd |
| scheefwoonde | bijzin, verleden tijd |
| scheefwoonden | bijzin, verleden tijd |
| scheefwoont | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te scheefgewoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen scheefwonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| woon scheef | gebiedende wijs |
| woonde scheef | verleden tijd |
| zal scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal scheefwonen | bijzin, toekomende tijd |
| zou scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou scheefwonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) scheefwonen scheef zou(dt) wonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden scheefwonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt scheefwonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen scheefwonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen scheefwonen | bijzin, toekomende tijd |
| zult scheefwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult scheefwonen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal scheefwonen scheef zult/zal wonen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van scheef en wonen
Woordfamilie van scheefwonen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scheefgewoond | voltooid deelwoord | scheefwonen |
| scheefwone | with-subordinate-clause | scheefwonen |
| scheefwonend | onvoltooid deelwoord | scheefwonen |
| scheefwonende | woordvorm | scheefwonen |
| scheefwoon | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | scheefwonen |
| scheefwoonde | subordinate-clause, verleden tijd | scheefwonen |
| scheefwoonden | subordinate-clause, verleden tijd | scheefwonen |
| scheefwoont | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | scheefwonen |
| wone scheef | woordvorm | scheefwonen |
| wonen scheef | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | scheefwonen |
| woon scheef | gebiedende wijs | scheefwonen |
| woonde scheef | verleden tijd | scheefwonen |
| woonden scheef | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | scheefwonen |
| woont scheef | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | scheefwonen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scheefwonen zijn vastgelegd.