schatten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsxɑtə(n)Betekenis
- naar waarde ~: op prijs stellen
- Bij benadering een waarde voor iets geven
- vanuit een beperkte steekproef een getalswaarde bepalen die een parameter van de verdeling ervan zo goed mogelijk benadert
Hoe spreek je schatten uit?
/ˈsxɑtən/
Schatten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- naar waarde ~: op prijs stellen, waarderen transitive
- Bij benadering een waarde voor iets geven, taxeren transitive
- : vanuit een beperkte steekproef een getalswaarde bepalen die een parameter van de verdeling ervan zo goed mogelijk benadert
Vervoeging van schatten
schattenhele werkwoord — schatteverleden tijd enkelvoud — geschatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schat | schatte |
| jij | schat | schatte |
| hij, zij, het | schat | schatte |
| wij | schatten | — |
| jullie | schatten | — |
| zij | schatten | — |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geschat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geschat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geschat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geschat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geschat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geschat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geschat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geschat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geschat | verleden tijd, deelwoord |
| geschat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geschat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geschat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geschat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schat | gebiedende wijs |
| schatte | verleden tijd |
| schatte | aanvoegende wijs |
| schattend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geschat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geschat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geschat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geschat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geschat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geschat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geschat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geschat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geschat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geschat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geschat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schat
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van schatten
Vervoeging van schatten
schattenhele werkwoord
Herkomst
Ontwikkeld uit Middelnederlands scatten, schatten "schatting opleggen", vergelijk Middelhoogduits schetzen "belasting opleggen; geloven", modern Duits schätzen "schatten, waarderen"
Woordfamilie van schatten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schatte | verleden tijd | schatten |
| schattend | onvoltooid deelwoord | schatten |
| schattende | woordvorm | schatten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schatten zijn vastgelegd.