scharren
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈsxɑrə(n)/Betekenis
- schrapen, krabben
- om een geluid weer te geven: krassen, knarsen
- grijpen
- scharrelen
Hoe spreek je scharren uit?
/ˈsxɑrən/
Scharren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van scharren
scharrenhele werkwoord — schardeverleden tijd enkelvoud — schardenverleden tijd meervoud — geschardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schar | scharde |
| jij | schart | scharde |
| hij, zij, het | schart | scharde |
| wij | scharren | scharden |
| jullie | scharren | scharden |
| zij | scharren | scharden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschard | verleden tijd, deelwoord |
| geschard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schar | gebiedende wijs |
| scharde | verleden tijd |
| scharre | aanvoegende wijs |
| scharrend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te scharren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen scharren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal scharren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal scharren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal scharren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou scharren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou scharren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou scharren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden scharren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden scharren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden scharren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt scharren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen scharren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen scharren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen scharren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen scharren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult scharren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schar
Herkomst
van het Middelnederlands scharren
Woordfamilie van scharren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschard | voltooid deelwoord | scharren |
| scharde | verleden tijd | scharren |
| scharden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | scharren |
| scharre | aanvoegende wijs | scharren |
| scharrend | onvoltooid deelwoord | scharren |
| scharrende | woordvorm | scharren |
| schart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | scharren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van scharren zijn vastgelegd.