mis
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord mɪsBetekenis
- een eucharistieviering, de katholieke eredienst waarin het sacrament van de eucharistie wordt gevierd
- (vooral als naamwoordelijk deel van het gezegde) fout, verkeerd
- niet raak, verkeerd, helemaal niet aan de verwachting voldoend
- missen
- mist; laaghangende bewolking die het zicht belemmert
- voltooid deelwoord van mettre
- (aan/voor) mij (datief van de eerste persoon enkelvoud)
- mijn
- maand
Hoe spreek je mis uit?
/mɪs/
Mis bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| s | sok |
Klinkt hetzelfde als miss.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| misje | verkleinwoord, enkelvoud |
| misjes | verkleinwoord, meervoud |
| missen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van missen
- gebiedende wijs van missen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van missen
Vervoeging van mis
mishele werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
- fout, verkeerd
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘rooms-katholieke kerkdienst’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van mis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| misje | verkleinwoord | mis |
| misjes | verkleinwoord meervoud | mis |
| missere | woordvorm | mis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mis zijn vastgelegd.