ris
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, werkwoord rɪsBetekenis
- bundel vlas
- takje met druiven of bessen die er gemakkelijk in een beweging afgehaald kunnen worden
- hoeveelheid gelijke voorwerpen die met touw of stok aan elkaar vastzitten
- reeks gelijke zaken of personen
- groot aantal vergelijkbare zaken of personen
- weergave van een zacht zagend of scheurend geluid
- rijst
- de meest verbouwde rijstsoort ()
Hoe spreek je ris uit?
/rɪs/
Ris bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɪ | pit |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- takje met druiven of bessen die er gemakkelijk in één beweging afgehaald kunnen worden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| risje | verkleinwoord, enkelvoud |
| risjes | verkleinwoord, meervoud |
| rissen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rissen
- gebiedende wijs van rissen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rissen
Vervoeging van ris
rishele werkwoord
Herkomst
[zelfstandig naamwoord] van Middelnederlands rise bundel leistenen, vlas of uien
Woordfamilie van ris
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| risje | verkleinwoord | ris |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ris zijn vastgelegd.