gis
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord ɣɪsBetekenis
- slim
- een halve toon verhoogde toon 'g'
- de grondtoon (tonica) van de “gis-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
- de grondtoon van het “gis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
- de toon ”gis”
- gis: korte aanduiding van de toonaard “gis-mineur”
- gisten
- gissen
Hoe spreek je gis uit?
/xɪs/
Gis bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɪ | pit |
| s | sok |
bijvoeglijk naamwoord
- intelligent, slim [1], schrander
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gisse | verbogen, stellende trap |
| gisser | onverbogen, vergrotende trap |
| gissere | verbogen, vergrotende trap |
| gissers | partitief, vergrotende trap |
| gist | onverbogen, overtreffende trap |
| giste | verbogen, overtreffende trap |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een halve toon verhoogde toon "g"
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gissen
- gebiedende wijs van gissen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gissen
Vervoeging van gis
gishele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘Bargoens: slim’ voor het eerst aangetroffen in 1860
Woordfamilie van gis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gisje | woordvorm | gis |
| gisjes | meervoud | gis |
| gissere | verbogen vergrotende trap | gis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gis zijn vastgelegd.