cis
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord sɪsBetekenis
- een met een halve toon verhoogde toon 'c'
- de grondtoon (tonica) van de “cis-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
- de grondtoon van het “cis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
- gelegen aan dezelfde kant van een dubbele binding of centraal atoom (binnen een molecuul)
- met een geslachtelijke identiteit die overeenkomt met de biologische sekse bij geboorte
- de toon ”cis”
- cis: korte aanduiding van de toonaard “cis-mineur”
- aan deze kant van
Hoe spreek je cis uit?
/sɪs/
Cis bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɪ | pit |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een met een halve toon verhoogde toon "c"
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cisjes | verkleinwoord, meervoud |
| cissen | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] cis | canonical |
Herkomst
c met het achtervoegsel -is
Woordfamilie van cis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cisje | verkleinwoord | cis |
| cisjes | verkleinwoord meervoud | cis |
| cissen | meervoud | cis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cis zijn vastgelegd.