misbruiken
werkwoord, zelfstandig naamwoord mɪzˈbrœykə(n)Betekenis
- op een slechte wijze, d.w.z. overdadig gebruik maken van iets (drank, drugs, toegewezen privileges, e.d.)
- (iemand) op seksuele wijze mishandelen en uitbuiten
- op laakbare wijze van iets (macht, naamgeving, positie, e.d.) gebruik maken voor een doel waarvoor het niet bedoeld is
Hoe spreek je misbruiken uit?
/mɪzˈbrœykən/
Misbruiken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| z | zon |
| b | bak |
| r | rood |
| œy | huis |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- op seksuele wijze mishandelen en uitbuiten transitive
Vervoeging van misbruiken
misbruikenhele werkwoord — misbruikteverleden tijd enkelvoud — misbruiktenverleden tijd meervoud — misbruiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | misbruik | misbruikte |
| jij | misbruikt | misbruikte |
| hij, zij, het | misbruikt | misbruikte |
| wij | misbruiken | misbruikten |
| jullie | misbruiken | misbruikten |
| zij | misbruiken | misbruikten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is misbruikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was misbruikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd misbruikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt misbruikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal misbruikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal misbruikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou misbruikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou misbruikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had misbruikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had misbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had misbruikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden misbruikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden misbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden misbruikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt misbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben misbruikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| misbruik | gebiedende wijs |
| misbruike | aanvoegende wijs |
| misbruikend | onvoltooid, deelwoord |
| misbruikt | verleden tijd, deelwoord |
| misbruikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| misbruikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| misbruikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| misbruikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| misbruikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| misbruikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| misbruikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| misbruikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| misbruikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| misbruikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| misbruikte | verleden tijd |
| te hebben misbruikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te misbruiken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen misbruiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart misbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren misbruikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren misbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren misbruikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was misbruikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was misbruikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was misbruikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt misbruikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal misbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal misbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal misbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal misbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal misbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt misbruikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou misbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou misbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou misbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou misbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou misbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou misbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden misbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden misbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden misbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden misbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden misbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden misbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt misbruikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt misbruikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen misbruiken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen misbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen misbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen misbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen misbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen misbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen misbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult misbruiken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult misbruikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult misbruikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult misbruikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord misbruik
Herkomst
samenstelling van mis bn en bruiken ww (werkwoord niet langer bestaand vgl gebruiken)
Woordfamilie van misbruiken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| misbruike | aanvoegende wijs | misbruiken |
| misbruikend | onvoltooid deelwoord | misbruiken |
| misbruikende | woordvorm | misbruiken |
| misbruikt | voltooid deelwoord | misbruiken |
| misbruikte | verleden tijd | misbruiken |
| misbruikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | misbruiken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van misbruiken zijn vastgelegd.