mishandelen
werkwoord mɪsˈhɑndələ(n)Betekenis
- iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
Hoe spreek je mishandelen uit?
/mɪsˈhɑndələn/
Mishandelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van mishandelen
mishandelenhele werkwoord — gemishandeldeverleden tijd enkelvoud — gemishandeldenverleden tijd meervoud — gemishandeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gemishandel | gemishandelde |
| jij | gemishandelt | gemishandelde |
| hij, zij, het | gemishandelt | gemishandelde |
| wij | gemishandelen | gemishandelden |
| jullie | gemishandelen | gemishandelden |
| zij | gemishandelen | gemishandelden |
Alle 128 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gemishandeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gemishandeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gemishandeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gemishandeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gemishandeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gemishandeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gemishandeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gemishandeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gemishandel | gebiedende wijs |
| gemishandeld | verleden tijd, deelwoord |
| gemishandeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemishandeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gemishandeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemishandeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemishandeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemishandeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemishandeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemishandeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemishandeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemishandeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gemishandele | aanvoegende wijs |
| gemishandelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gemishandelend | onvoltooid, deelwoord |
| had gemishandeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemishandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemishandeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemishandeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemishandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemishandeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemishandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemishandeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mishandeld | verleden tijd, deelwoord |
| mishandelde | verleden tijd |
| te gemishandelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gemishandeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gemishandelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gemishandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemishandeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gemishandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gemishandeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gemishandeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gemishandeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gemishandeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gemishandeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gemishandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemishandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemishandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gemishandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemishandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gemishandeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gemishandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemishandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemishandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemishandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemishandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemishandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemishandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemishandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemishandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemishandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemishandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemishandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemishandeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemishandeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemishandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemishandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemishandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemishandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemishandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemishandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gemishandelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemishandeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemishandeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemishandeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gemishandelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van mis en handelen
Woordfamilie van mishandelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mishandel | woordvorm | mishandelen |
| mishandeld | voltooid deelwoord | mishandelen |
| mishandelde | verleden tijd | mishandelen |
| mishandelden | woordvorm | mishandelen |
| mishandele | woordvorm | mishandelen |
| mishandelend | woordvorm | mishandelen |
| mishandelende | woordvorm | mishandelen |
| mishandelt | woordvorm | mishandelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mishandelen zijn vastgelegd.