vis
zelfstandig naamwoord, werkwoord vɪsBetekenis
- gewerveld dier met kieuwen, levend in water
- het vlees van een vis (1)
- Vissen; teken van de dierenriem van ca. 19 februari tot ca. 21 maart
- wijs
- schroef
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vivre
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs van vivre
- eerste persoon enkelvoud passé simple van voir
- tweede persoon enkelvoud passé simple van voir
- kracht
- in het geheel, echt (gebruikt om een ontkennend werkwoord te versterken)
- wijze, manier
- een gymnastische positie waarin het lichaam aan een toestel hangt
Hoe spreek je vis uit?
/vɪs/
Vis bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɪ | pit |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor dieren uit de groep Pisces: gewerveld dier met kieuwen, levend in water
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| visje | verkleinwoord |
| visjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| vissen | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vissen
- gebiedende wijs van vissen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vissen
Vervoeging van vis
vishele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘in water levend koudbloedig dier met kieuwen’ aangetroffen vanaf 891.
Woordfamilie van vis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| visch | masculine | vis |
| visjes | verkleinwoord | vis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vis zijn vastgelegd.