mishagen
werkwoordBetekenis
- niet aanstaan, niet behagen
- ontstemd worden
Vervoeging van mishagen
mishagenhele werkwoord — mishaagdeverleden tijd enkelvoud — mishaagdenverleden tijd meervoud — hebben mishaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mishaag | mishaagde |
| jij | mishaagt | mishaagde |
| hij, zij, het | mishaagt | mishaagde |
| wij | mishagen | mishaagden |
| jullie | mishagen | mishaagden |
| zij | mishagen | mishaagden |
Alle 58 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had mishaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had mishaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had mishaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden mishaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden mishaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden mishaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt mishaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb mishaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben mishaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben mishaagd | verleden tijd, deelwoord |
| hebben mishaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben mishaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben mishaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt mishaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft mishaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft mishaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mishaag | gebiedende wijs |
| mishaagd | verleden tijd, deelwoord |
| mishaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| mishaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| mishaagde | verleden tijd |
| mishaagt | tegenwoordige tijd |
| mishage | aanvoegende wijs |
| mishagend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben mishaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te mishagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen mishagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal mishaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal mishaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal mishaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal mishagen | toekomende tijd |
| zal mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou mishaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou mishaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou mishaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden mishaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden mishaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden mishaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt mishaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen mishaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen mishaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen mishaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen mishagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult mishaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult mishagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘niet aanstaan’ voor het eerst aangetroffen in 1461
Woordfamilie van mishagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mishaag | gebiedende wijs | mishagen |
| mishaagd | voltooid deelwoord | mishagen |
| mishaagde | verleden tijd | mishagen |
| mishaagden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | mishagen |
| mishaagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | mishagen |
| mishage | aanvoegende wijs | mishagen |
| mishagend | onvoltooid deelwoord | mishagen |
| mishagende | woordvorm | mishagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mishagen zijn vastgelegd.