lijfwacht
zelfstandig naamwoord /ˈlɛɪfʋɑxt/Betekenis
- de wacht die met de bewaking van een vorst of aanzienlijk persoon belast is
- een lid van een lijfwacht
Hoe spreek je lijfwacht uit?
/ˈlɛifwɑxt/
Lijfwacht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛi | trein |
| f | fiets |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lijfwachten | meervoud |
| lijfwachtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lijfwachtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘bewakers van een belangrijk persoon’ voor het eerst aangetroffen in 1612
Woordfamilie van lijfwacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lijfwachten | meervoud | lijfwacht |
| lijfwachtje | verkleinwoord | lijfwacht |
| lijfwachtjes | verkleinwoord meervoud | lijfwacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lijfwacht zijn vastgelegd.