zeil
zelfstandig naamwoord, werkwoord zɛilBetekenis
- doek dat in een mast gehesen is om wind te vangen en die het schip voortbeweegt
- het geheel van alle zeilen van een schip
- vloerbedekking met een onderlaag van weefsel (jute) en een harde kunststof bovenlaag (zoals linoleum)
- doek voor diverse doeleinden (afdekken)
- zeilboot, surfplank
- onder zeil
- linoleum, marmoleum
- zeildoek
- vloot
Hoe spreek je zeil uit?
/zɛil/
Zeil bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛi | trein |
| l | land |
Klinkt hetzelfde als zijl.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zeilen | meervoud |
| zeiltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zeiltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeilen
- gebiedende wijs van zeilen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeilen
Vervoeging van zeil
zeilhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands seil dat net als Middelnederlands segel (voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240) teruggaat op Oudnederlands segil
Woordfamilie van zeil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zeiltje | verkleinwoord | zeil |
| zeiltjes | verkleinwoord meervoud | zeil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeil zijn vastgelegd.