in
voorzetsel, bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ɪnBetekenis
- iets dat iets anders bevat: binnen
- gedurende, tijdens
- of gewoonlijk tijdens een periode:
- in minder tijd dan een periode:
- naar binnen
- de kleding die men draagt
- het resultaat dat ontstaat: tot
- de deel|delen waar iets uit bestaat: uit
- het materiaal waar iets van gemaakt is: van
- de kleur die iets heeft
- wat betreft
- de wijze waarop iets beschouwd wordt
- indien iets gebeurt
- als : naar binnen
- belangrijk: strikt gesproken moet zo'n achterzetsel grammaticaal worden opgevat als een in (1.)
- inlopen: Hij liep het huis '.
- binnen
- () hip, modieus, eigentijds, in de mode
- drin, drinnen (binnen de lijnen)
- herein, hinein (in een richting naar binnen)
- (in de mode zijn)
- geeft een toestand aan
- geeft een richting aan die men ingaat (ruimtelijk)
- (tijdelijk)
- (voor een getal of hoeveelheid)
- (als vast voorzetsel bij andere woorden)
- om beweging of richting ergens heen aan te duiden: ;
- bij tijdsbepalingen:
- bij het vermelden van een verdeling:
- om de plaats van iets aan te duiden
- zulke omstandigheid|omstandigheden; in eo est, ut ...: het is op dit punt, dat ...; in tempore, in ipso tempore: te rechter tijd
- om een aantal of klasse aan te duiden: ;
- bij werkwoorden van
- binnenin
- en
- een
Hoe spreek je in uit?
/ɪn/
In bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
voorzetsel
- met het inwendige van iets anders als locatie; binnen vz
- de delen waar iets uit bestaat: uit
- als achterzetsel: naar binnen
- strikt gesproken kan zo'n achterzetsel grammaticaal worden opgevat als een bijwoord (1.)
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: naar binnen
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord: binnen
bijvoeglijk naamwoord
- hip, modieus, eigentijds, in de mode
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van innen
- gebiedende wijs van innen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van innen
Vervoeging van in
inhele werkwoord
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘voorzetsel’ voor het eerst aangetroffen in 776