zin
zelfstandig naamwoord, werkwoord zɪnBetekenis
- een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
- een verlangen om iets te doen
- dat wat iets betekent, waar iets voor staat
- een reden voor bestaan, bestaansreden, betekenis
- mogelijkheid om waar te nemen m.b.v. een zintuig bijv. evenwichtszin, reukzin, kleurenzin etc.
Hoe spreek je zin uit?
/zɪn/
Zin bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zinnen | meervoud |
| zinnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zinnetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zinnen
- gebiedende wijs van zinnen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zinnen
Vervoeging van zin
zinhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘zintuig, begrip’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van zin
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zinnetje | verkleinwoord | zin |
| zinnetjes | verkleinwoord meervoud | zin |
| zins | masculine | zin |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zin zijn vastgelegd.