inbinden
werkwoord /ɪmbɪndə/Betekenis
- door stevige omwikkeling bijeenhouden
- losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
- minder heftig te keer gaan
Hoe spreek je inbinden uit?
/ɪmbɪndə/
Inbinden bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| m | maan |
| b | bak |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
werkwoord
- minder weerstand bieden, zich minder of helemaal niet meer verzetten tegen iets unergative
Vervoeging van inbinden
inbindenhele werkwoord — bond inverleden tijd enkelvoud — bonden inverleden tijd meervoud — ingebondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bind in | bond in |
| jij | bindt in | bond in |
| hij, zij, het | bindt in | bond in |
| wij | binden in | bonden in |
| jullie | binden in | bonden in |
| zij | binden in | bonden in |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bind in | gebiedende wijs |
| bond in | verleden tijd |
| er is ingebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingebonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingebonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingebonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingebonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingebonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingebonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te binden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal binden | bijzin, toekomende tijd |
| in zou binden | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden binden | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt binden | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen binden | bijzin, toekomende tijd |
| in zult binden | bijzin, toekomende tijd |
| inbind | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inbindend | onvoltooid, deelwoord |
| inbindt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inbond | bijzin, verleden tijd |
| inbonden | bijzin, verleden tijd |
| ingebonden | verleden tijd, deelwoord |
| ingebonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingebonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingebonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingebonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingebonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingebonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingebonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingebonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingebonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingebonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben ingebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zal ingebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou ingebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) inbinden in zou(dt) binden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen inbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen ingebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult inbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van in bw en binden ww
Woordfamilie van inbinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bind in | gebiedende wijs | inbinden |
| binde in | woordvorm | inbinden |
| binden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inbinden |
| bindt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inbinden |
| bond in | verleden tijd | inbinden |
| bonden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inbinden |
| inbind | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inbinden |
| inbinde | with-subordinate-clause | inbinden |
| inbindend | onvoltooid deelwoord | inbinden |
| inbindende | woordvorm | inbinden |
| inbindt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inbinden |
| inbond | subordinate-clause, verleden tijd | inbinden |
| inbonden | subordinate-clause, verleden tijd | inbinden |
| ingebonden | voltooid deelwoord | inbinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inbinden zijn vastgelegd.