Naar de inhoud

inbinden

door stevige omwikkeling bijeenhouden

inbinden

werkwoord /ɪmbɪndə/

Betekenis

  1. door stevige omwikkeling bijeenhouden
  2. losse geschriften tot een enkel boekwerk verwerken
  3. minder heftig te keer gaan

Hoe spreek je inbinden uit?

/ɪmbɪndə/

Inbinden bestaat uit drie lettergrepen.

De tekens in /ɪmbɪndə/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɪ pit
m maan
b bak
n nek
d dak
ə de

werkwoord

  1. minder weerstand bieden, zich minder of helemaal niet meer verzetten tegen iets unergative

Vervoeging van inbinden

inbindenhele werkwoord — bond inverleden tijd enkelvoud — bonden inverleden tijd meervoud — ingebondenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bind in bond in
jij bindt in bond in
hij, zij, het bindt in bond in
wij binden in bonden in
jullie binden in bonden in
zij binden in bonden in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bind in gebiedende wijs
bond in verleden tijd
er is ingebonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingebonden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingebonden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingebonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingebonden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingebonden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingebonden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingebonden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te binden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal binden bijzin, toekomende tijd
in zou binden bijzin, voorwaardelijk
in zouden binden bijzin, voorwaardelijk
in zoudt binden bijzin, voorwaardelijk
in zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen binden bijzin, toekomende tijd
in zult binden bijzin, toekomende tijd
inbind bijzin, tegenwoordige tijd
inbindend onvoltooid, deelwoord
inbindt bijzin, tegenwoordige tijd
inbond bijzin, verleden tijd
inbonden bijzin, verleden tijd
ingebonden verleden tijd, deelwoord
ingebonden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingebonden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingebonden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingebonden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingebonden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingebonden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingebonden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingebonden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingebonden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingebonden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
is ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben ingebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inbinden bijzin, toekomende tijd
zal ingebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingebonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingebonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inbinden bijzin, voorwaardelijk
zou ingebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) inbinden in zou(dt) binden bijzin, voorwaardelijk
zouden inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inbinden bijzin, voorwaardelijk
zouden ingebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inbinden bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen inbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inbinden bijzin, toekomende tijd
zullen ingebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingebonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingebonden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingebonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult inbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van in bw en binden ww

Woordfamilie van inbinden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bind in gebiedende wijs inbinden
binde in woordvorm inbinden
binden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inbinden
bindt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inbinden
bond in verleden tijd inbinden
bonden in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inbinden
inbind subordinate-clause, tegenwoordige tijd inbinden
inbinde with-subordinate-clause inbinden
inbindend onvoltooid deelwoord inbinden
inbindende woordvorm inbinden
inbindt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inbinden
inbond subordinate-clause, verleden tijd inbinden
inbonden subordinate-clause, verleden tijd inbinden
ingebonden voltooid deelwoord inbinden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inbinden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inbinden

Hoe spreek ik inbinden uit?
Zo spreek je inbinden uit: /ɪmbɪndə/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van inbinden?
Inbinden is een werkwoord. De betekenis is: door stevige omwikkeling bijeenhouden. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik inbinden?
Zo vervoeg je inbinden zo: het voltooid deelwoord is ingebonden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inbinden is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. B 3
  4. I 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inbinden levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. B 4
  4. I 2
  5. N 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inbinden in het kort

inbinden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van inbinden staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort inbinden bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

inbinden: door stevige omwikkeling bijeenhouden
Deel inbinden — standaardnederlands.nl