pin
zelfstandig naamwoord, werkwoord pɪnBetekenis
- een dun metalen staafje waarmee iets bevestigd kan worden
- een persoonlijk identificatienummer, pincode
- een betalingssysteem waarbij er met een pinpas en pincode betaald wordt
- stift
- bevestigen
- den, pijn
Hoe spreek je pin uit?
/pɪn/
Pin bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɪ | pit |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- pincode, persoonlijk identificatienummer abbreviation
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pinnen | enkelvoud |
| pinnetje | verkleinwoord |
| pinnetje | verkleinwoord, eerste persoon |
| pinnetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| pins | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pinnen
- gebiedende wijs van pinnen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pinnen
Vervoeging van pin
pinhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘houten nagel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van pin
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pinnetje | verkleinwoord, 1e persoon | pin |
| pinnetjes | verkleinwoord | pin |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pin zijn vastgelegd.