gezin
zelfstandig naamwoord ɣəˈzɪnBetekenis
- huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen
Hoe spreek je gezin uit?
/xəˈzɪn/
Gezin bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| z | zon |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gezinnen | meervoud |
| gezinnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gezinnetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands gesinde "reisgezelschap, hofhouding", in de betekenis van ‘echtpaar met hun kinderen’ voor het eerst aangetroffen in 1586
Woordfamilie van gezin
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezinnetje | verkleinwoord | gezin |
| gezinnetjes | verkleinwoord meervoud | gezin |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gezin zijn vastgelegd.