koningin
zelfstandig naamwoord ˌkonɪˈɣɪnBetekenis
- het vrouwelijk hoofd van een koninkrijk
- de vrouw van een koning
- het schaakstuk dat in alle richtingen mag worden bewogen
- de belangrijkste, mooiste, indrukwekkendste vrouw of vrouwelijke figuur
- koningin, dame
- koningin
Hoe spreek je koningin uit?
/ˌkonɪˈxɪn/
Koningin bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| n | nek |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- de echtgenote van een koning [1], waarbij zijzelf meestal geen regerende macht heeft
- vrouwtje dat nageslacht voor de hele kolonie voortbrengt
- het sterkste schaakstuk
- speelkaart waarop een vrouwelijke figuur staat afgebeeld; in deze bet. meestal als tweede deel van een samenstelling waarvan het eerste deel de kleursoort aangeeft
- de belangrijkste vrouw van allemaal; het belangijkste vrouwelijke van alles figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| koninginnen | meervoud |
| koninginnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| koninginnetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands coninginne / coninghinne van Oudnederlands kuninginna, op te vatten als afgeleid van koning met het achtervoegsel -in
Woordfamilie van koningin
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| koninginnen | meervoud | koningin |
| koninginnetje | verkleinwoord | koningin |
| koninginnetjes | verkleinwoord meervoud | koningin |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van koningin zijn vastgelegd.