inblikken
werkwoord /ˈɪmblɪkə(n)/Betekenis
- voedsel conserveren door het in een blikken vat luchtdicht te verpakken
Hoe spreek je inblikken uit?
/ˈɪmblɪkən/
Inblikken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| m | maan |
| b | bak |
| l | land |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van inblikken
inblikkenhele werkwoord — blikte inverleden tijd enkelvoud — blikten inverleden tijd meervoud — ingebliktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blik in | blikte in |
| jij | blikt in | blikte in |
| hij, zij, het | blikt in | blikte in |
| wij | blikken in | blikten in |
| jullie | blikken in | blikten in |
| zij | blikken in | blikten in |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| blik in | gebiedende wijs |
| blikte in | verleden tijd |
| er is ingeblikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingeblikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingeblikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingeblikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingeblikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingeblikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingeblikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingeblikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingeblikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingeblikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingeblikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingeblikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingeblikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingeblikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingeblikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeblikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te blikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen blikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal blikken | bijzin, toekomende tijd |
| in zou blikken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden blikken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt blikken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen blikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen blikken | bijzin, toekomende tijd |
| in zult blikken | bijzin, toekomende tijd |
| inblik | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inblikkend | onvoltooid, deelwoord |
| inblikt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inblikte | bijzin, verleden tijd |
| inblikten | bijzin, verleden tijd |
| ingeblikt | verleden tijd, deelwoord |
| ingeblikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeblikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeblikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeblikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeblikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeblikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeblikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeblikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeblikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeblikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben ingeblikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inblikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingeblikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeblikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingeblikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeblikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingeblikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingeblikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingeblikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingeblikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inblikken | bijzin, toekomende tijd |
| zal ingeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingeblikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeblikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingeblikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inblikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou ingeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeblikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeblikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeblikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) inblikken in zou(dt) blikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inblikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeblikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeblikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeblikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inblikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeblikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeblikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen inblikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inblikken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen ingeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeblikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingeblikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeblikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeblikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeblikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult inblikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstellende afleiding van in (voorzetsel) en blik (zelfstandig naamwoord) met het achtervoegsel -en dat de onbepaalde wijs van een werkwoord vormt
Woordfamilie van inblikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blik in | gebiedende wijs | inblikken |
| blikke in | woordvorm | inblikken |
| blikken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inblikken |
| blikt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inblikken |
| blikte in | verleden tijd | inblikken |
| blikten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inblikken |
| inblik | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inblikken |
| inblikke | with-subordinate-clause | inblikken |
| inblikkend | onvoltooid deelwoord | inblikken |
| inblikkende | woordvorm | inblikken |
| inblikt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inblikken |
| inblikte | subordinate-clause, verleden tijd | inblikken |
| inblikten | subordinate-clause, verleden tijd | inblikken |
| ingeblikt | voltooid deelwoord | inblikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inblikken zijn vastgelegd.