inboedel
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de gebruiksvoorwerpen die horen tot de inrichting van een huis, zoals het meubilair, klein- en groothuishoudelijke apparatuur en de huishoudwaar (keukengerei en tafelwaar)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| inboedels | meervoud |
| inboedeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| inboedeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van in en boedel zn
Woordfamilie van inboedel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inboedels | meervoud | inboedel |
| inboedeltje | verkleinwoord | inboedel |
| inboedeltjes | verkleinwoord meervoud | inboedel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inboedel zijn vastgelegd.