Naar de inhoud

inbeuken

met een ram zich toegang verschaffen tot een afgesloten ruimte

inbeuken

werkwoord

Betekenis

  1. met een ram zich toegang verschaffen tot een afgesloten ruimte

Vervoeging van inbeuken

inbeukenhele werkwoord — beukte inverleden tijd enkelvoud — beukten inverleden tijd meervoud — ingebeuktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik beuk in beukte in
jij beukt in beukte in
hij, zij, het beukt in beukte in
wij beuken in beukten in
jullie beuken in beukten in
zij beuken in beukten in
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
beuk in gebiedende wijs
beukte in verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had ingebeukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingebeukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingebeukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingebeukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingebeukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingebeukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingebeukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingebeukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingebeukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingebeukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingebeukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingebeukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingebeukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingebeukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingebeukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te beuken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen beuken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal beuken bijzin, toekomende tijd
in zou beuken bijzin, voorwaardelijk
in zouden beuken bijzin, voorwaardelijk
in zoudt beuken bijzin, voorwaardelijk
in zullen beuken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen beuken bijzin, toekomende tijd
in zult beuken bijzin, toekomende tijd
inbeuk bijzin, tegenwoordige tijd
inbeukend onvoltooid, deelwoord
inbeukt bijzin, tegenwoordige tijd
inbeukte bijzin, verleden tijd
inbeukten bijzin, verleden tijd
ingebeukt verleden tijd, deelwoord
ingebeukt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingebeukt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben ingebeukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inbeuken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inbeuken bijzin, toekomende tijd
zal ingebeukt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingebeukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingebeukt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inbeuken bijzin, voorwaardelijk
zou ingebeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingebeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingebeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) inbeuken in zou(dt) beuken bijzin, voorwaardelijk
zouden inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inbeuken bijzin, voorwaardelijk
zouden ingebeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingebeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingebeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inbeuken bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingebeukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen inbeuken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inbeuken bijzin, toekomende tijd
zullen ingebeukt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingebeukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingebeukt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult inbeuken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult inbeuken bijzin, toekomende tijd
zult ingebeukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal inbeuken in zult/zal beuken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en beuken ww

Woordfamilie van inbeuken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
beuk in gebiedende wijs inbeuken
beuke in woordvorm inbeuken
beuken in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inbeuken
beukt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inbeuken
beukte in verleden tijd inbeuken
beukten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inbeuken
inbeuk subordinate-clause, tegenwoordige tijd inbeuken
inbeuke with-subordinate-clause inbeuken
inbeukend onvoltooid deelwoord inbeuken
inbeukende woordvorm inbeuken
inbeukt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inbeuken
inbeukte subordinate-clause, verleden tijd inbeuken
inbeukten subordinate-clause, verleden tijd inbeuken
ingebeukt voltooid deelwoord inbeuken
ingebeukte woordvorm inbeuken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inbeuken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inbeuken

Wat is de betekenis van inbeuken?
Inbeuken is een werkwoord. De betekenis is: met een ram zich toegang verschaffen tot een afgesloten ruimte.
Hoe vervoeg ik inbeuken?
Zo vervoeg je inbeuken zo: het voltooid deelwoord is ingebeukt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inbeuken is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. B 3
  4. E 1
  5. U 4
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inbeuken levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. B 4
  4. E 1
  5. U 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inbeuken in het kort

inbeuken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van inbeuken staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort inbeuken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

inbeuken: met een ram zich toegang verschaffen tot een afgesloten ruimte
Deel inbeuken — standaardnederlands.nl