min
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord mɪnBetekenis
- een vrouw die tegen betaling een vreemd kind zoogt
- liefde, genegenheid (zie bijv. minnedicht)
- negatieve waarde
- minteken
- negatieve pool
- verachtelijk, gemeen
- ondermaats, onbetekenend, onbeduidend
- minus, verminderd met (-)
- mijn
- duizend
Hoe spreek je min uit?
/mɪn/
Min bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord
- vrouw die tegen betaling het kind van een andere vrouw zoogt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| minnen | meervoud |
| minnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| minnetjes | verkleinwoord, meervoud |
bijwoord
- min of meer: met weinig of met veel; meer of minder
- weinig
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minnen
- gebiedende wijs van minnen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minnen
Vervoeging van min
minhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘zoogster’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van min
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| minnere | woordvorm | min |
| minnetje | verkleinwoord | min |
| mins | woordvorm | min |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van min zijn vastgelegd.