geven
werkwoord ˈɣevə(n)Betekenis
- overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
- aanbieden
- opleveren, veroorzaken, verschaffen
Hoe spreek je geven uit?
/ˈxevən/
Geven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van geven
gevenhele werkwoord — gafverleden tijd enkelvoud — gavenverleden tijd meervoud — gegevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geef | gaf |
| jij | geeft | gaaft |
| hij, zij, het | geeft | gaf |
| wij | geven | gaven |
| jullie | geven | gaven |
| zij | geven | gaven |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gaf | verleden tijd |
| geef | gebiedende wijs |
| gegeven | verleden tijd, deelwoord |
| gegeven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegeven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegeven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegeven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegeven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegeven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegeven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegeven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geve | aanvoegende wijs |
| gevend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te geven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal geven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal geven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou geven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou geven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen geven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘aanreiken, verschaffen, schenken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901; van Proto-Germaans *geban- (een oudere wortel *dō- zou in het Germaans hierdoor zijn vervangen), wat mogelijk voordien *gab was. De klinkerverschuiving naar -e- in de tegenwoordige tijd zou onder invloed van *neman- kunnen zijn gebeurd. Mogelijk nog verder te herleiden tot Indo-Europees *ghebh- (zie ook de mogelijke etymologie van hebben). Volgens een nieuwere opvatting is er sprake van een nog oudere gezamenlijke wortel *kap-, *ghabh-/*ghebh- in het PIE (in dat geval zouden zowel hebben als bijv. ook Latijn capere en habere, waar in ieder geval sprake is van een duidelijke betekenisverwantschap, met geven verwant zijn).
Woordfamilie van geven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaaft | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | geven |
| gaf | verleden tijd | geven |
| geeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | geven |
| geve | aanvoegende wijs | geven |
| gevend | onvoltooid deelwoord | geven |
| gevende | woordvorm | geven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van geven zijn vastgelegd.