kleven
werkwoord ˈklevə(n)Betekenis
- met een lijm bevestigen
- lossen, losmaken, afweken
Hoe spreek je kleven uit?
/ˈklevən/
Kleven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kleven
klevenhele werkwoord — kleefdeverleden tijd enkelvoud — kleefdenverleden tijd meervoud — gekleefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kleef | kleefde |
| jij | kleeft | kleefde |
| hij, zij, het | kleeft | kleefde |
| wij | kleven | kleefden |
| jullie | kleven | kleefden |
| zij | kleven | kleefden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekleefd | verleden tijd, deelwoord |
| gekleefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekleefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kleef | gebiedende wijs |
| kleefde | verleden tijd |
| kleve | aanvoegende wijs |
| klevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kleven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘plakken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van kleven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekleefd | voltooid deelwoord | kleven |
| gekleefde | woordvorm | kleven |
| kleefde | verleden tijd | kleven |
| kleefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kleven |
| kleeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kleven |
| kleve | aanvoegende wijs | kleven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kleven zijn vastgelegd.