leven
werkwoord, zelfstandig naamwoord /'levən/Betekenis
- het doormaken van het leven, het doormaken van de periode tussen geboorte en dood
- wonen, verblijven
- spreken en denken over een bepaald onderwerp
- een voortbestaan van organismen, gericht op groei en/of vermenigvuldiging
- de tijdsspanne die men levend doorbrengt
- het menselijk bestaan in het algemeen of een deel daarvan
- periode dat iets in functie is
- activiteit en drukte
- glad
Hoe spreek je leven uit?
/ˈlevən/
Leven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van leven
levenhele werkwoord — leefdeverleden tijd enkelvoud — leefdenverleden tijd meervoud — geleefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | leef | leefde |
| jij | leeft | leefde |
| hij, zij, het | leeft | leefde |
| wij | leven | leefden |
| jullie | leven | leefden |
| zij | leven | leefden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geleefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geleefd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geleefd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geleefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geleefd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geleefd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geleefd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geleefd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geleefd | verleden tijd, deelwoord |
| geleefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geleefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| leef | gebiedende wijs |
| leefde | verleden tijd |
| leve | aanvoegende wijs |
| levend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te leven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen leven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal leven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal leven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal leven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou leven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou leven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou leven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden leven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden leven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden leven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt leven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen leven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen leven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen leven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen leven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult leven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘niet dood zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901.
Woordfamilie van leven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geleefd | voltooid deelwoord | leven |
| geleefde | woordvorm | leven |
| leef | gebiedende wijs | leven |
| leefde | verleden tijd | leven |
| leefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | leven |
| leeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | leven |
| leve | aanvoegende wijs | leven |
| leventje | woordvorm | leven |
| leventjes | meervoud | leven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leven zijn vastgelegd.