herleven
werkwoord /hɛrˈlevə(n)/Betekenis
- opnieuw tot leven komen, opnieuw opbloeien
Hoe spreek je herleven uit?
/hɛrˈlevən/
Herleven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| l | land |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van herleven
herlevenhele werkwoord — herleefdeverleden tijd enkelvoud — herleefdenverleden tijd meervoud — herleefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herleef | herleefde |
| jij | herleeft | herleefde |
| hij, zij, het | herleeft | herleefde |
| wij | herleven | herleefden |
| jullie | herleven | herleefden |
| zij | herleven | herleefden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had herleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had herleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had herleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden herleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden herleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden herleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt herleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb herleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben herleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben herleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt herleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herleef | gebiedende wijs |
| herleefd | verleden tijd, deelwoord |
| herleefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herleefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herleefde | verleden tijd |
| herleve | aanvoegende wijs |
| herlevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben herleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herleven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal herleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal herleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou herleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden herleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt herleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen herleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen herleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult herleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van leven met het voorvoegsel her-
Woordfamilie van herleven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herleef | gebiedende wijs | herleven |
| herleefd | voltooid deelwoord | herleven |
| herleefde | verleden tijd | herleven |
| herleefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | herleven |
| herleeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | herleven |
| herleve | aanvoegende wijs | herleven |
| herlevend | onvoltooid deelwoord | herleven |
| herlevende | woordvorm | herleven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herleven zijn vastgelegd.