beven
werkwoord ˈbevə(n)Betekenis
- hard en heftig trillen door angst of door kou
- beven
Hoe spreek je beven uit?
/ˈbevən/
Beven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beven
bevenhele werkwoord — beefdeverleden tijd enkelvoud — beefdenverleden tijd meervoud — gebeefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beef | beefde |
| jij | beeft | beefde |
| hij, zij, het | beeft | beefde |
| wij | beven | beefden |
| jullie | beven | beefden |
| zij | beven | beefden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beef | gebiedende wijs |
| beefde | verleden tijd |
| beve | aanvoegende wijs |
| bevend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebeefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebeefd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebeefd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebeefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebeefd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebeefd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebeefd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebeefd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeefd | verleden tijd, deelwoord |
| gebeefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou beven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘trillen’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van beven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beefde | verleden tijd | beven |
| beefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beven |
| beeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beven |
| beve | aanvoegende wijs | beven |
| gebeefd | voltooid deelwoord | beven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beven zijn vastgelegd.