sneven
werkwoord ˈsnevə(n)Betekenis
- in de strijd vallen
- overdrachtelijk niet overleven, ophouden te bestaan
Hoe spreek je sneven uit?
/ˈsnevən/
Sneven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| n | nek |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van sneven
snevenhele werkwoord — sneefdeverleden tijd enkelvoud — sneefdenverleden tijd meervoud — gesneefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sneef | sneefde |
| jij | sneeft | sneefde |
| hij, zij, het | sneeft | sneefde |
| wij | sneven | sneefden |
| jullie | sneven | sneefden |
| zij | sneven | sneefden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gesneefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gesneefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesneefd | verleden tijd, deelwoord |
| gesneefd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesneefd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gesneefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gesneefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sneef | gebiedende wijs |
| sneefde | verleden tijd |
| sneve | aanvoegende wijs |
| snevend | onvoltooid, deelwoord |
| te sneven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gesneefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sneven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gesneefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesneefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gesneefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gesneefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gesneefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gesneefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gesneefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gesneefd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesneefd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesneefd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sneven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sneven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sneven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gesneefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gesneefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gesneefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gesneefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gesneefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gesneefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesneefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesneefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sneven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sneven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sneven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesneefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesneefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesneefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sneven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sneven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sneven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesneefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sneven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesneefd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesneefd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesneefd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sneven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sneven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sneven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sneven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesneefd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sneven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘omkomen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285
Woordfamilie van sneven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesneefd | voltooid deelwoord | sneven |
| gesneefde | woordvorm | sneven |
| sneef | gebiedende wijs | sneven |
| sneefde | verleden tijd | sneven |
| sneefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sneven |
| sneeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sneven |
| sneve | aanvoegende wijs | sneven |
| snevend | onvoltooid deelwoord | sneven |
| snevende | woordvorm | sneven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sneven zijn vastgelegd.