overleven
werkwoord ˌovərˈlevə(n)Betekenis
- in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
- een hogere leeftijd bereiken dan
- voortleven na iemand anders overlijden
Hoe spreek je overleven uit?
/ˌovərˈlevən/
Overleven bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| e | veel |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een hogere leeftijd bereiken dan, langer leven dan transitive
- blijven functioneren figuratively, intransitive
Vervoeging van overleven
overlevenhele werkwoord — overleefdeverleden tijd enkelvoud — overleefdenverleden tijd meervoud — overleefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overleef | overleefde |
| jij | overleeft | overleefde |
| hij, zij, het | overleeft | overleefde |
| wij | overleven | overleefden |
| jullie | overleven | overleefden |
| zij | overleven | overleefden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had overleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| overleef | gebiedende wijs |
| overleefd | verleden tijd, deelwoord |
| overleefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overleefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overleefde | verleden tijd |
| overleve | aanvoegende wijs |
| overlevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben overleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overleven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal overleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou overleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden overleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt overleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen overleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult overleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van over bw en leven ww
Woordfamilie van overleven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overleef | gebiedende wijs | overleven |
| overleefd | voltooid deelwoord | overleven |
| overleefde | verleden tijd | overleven |
| overleefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overleven |
| overleve | aanvoegende wijs | overleven |
| overlevend | onvoltooid deelwoord | overleven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overleven zijn vastgelegd.