vergeven
werkwoord vərˈɡevə(n)Betekenis
- vergiffenis schenken, iemand een kwade of verkeerde daad niet langer toerekenen
- iemands gezondheid schaden door het toedienen van vergift
Hoe spreek je vergeven uit?
/vərˈgevən/
Vergeven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| g | goal |
| e | veel |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- iemand iets schenken
Vervoeging van vergeven
vergevenhele werkwoord — vergafverleden tijd enkelvoud — vergavenverleden tijd meervoud — vergevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vergeef | vergaf |
| jij | vergeeft | vergaaft |
| hij, zij, het | vergeeft | vergaf |
| wij | vergeven | vergaven |
| jullie | vergeven | vergaven |
| zij | vergeven | vergaven |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vergeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vergeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vergeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vergeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vergeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vergeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vergeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vergeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vergeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vergeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vergeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergaf | verleden tijd |
| vergeef | gebiedende wijs |
| vergeve | aanvoegende wijs |
| vergeven | verleden tijd, deelwoord |
| vergeven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vergeven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vergeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergeven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergeven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergeven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vergeven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vergeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergeven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergeven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergevend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vergeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van vergeven
Vervoeging van vergeven
vergevenhele werkwoord — vergafverleden tijd enkelvoud — vergavenverleden tijd meervoud — vergevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vergeef | vergaf |
| jij | vergeeft | vergaaft |
| hij, zij, het | vergeeft | vergaf |
| wij | vergeven | vergaven |
| jullie | vergeven | vergaven |
| zij | vergeven | vergaven |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vergeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vergeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vergeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vergeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vergeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vergeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vergeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vergeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vergeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vergeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vergeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergaf | verleden tijd |
| vergeef | gebiedende wijs |
| vergeve | aanvoegende wijs |
| vergeven | verleden tijd, deelwoord |
| vergeven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vergeven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vergeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergeven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergeven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vergeven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vergeven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vergeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergeven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergeven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vergevend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vergeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vergeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vergeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vergeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vergeven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van geven met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van vergeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vergaaft | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | vergeven |
| vergaf | verleden tijd | vergeven |
| vergaven | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vergeven |
| vergeef | gebiedende wijs | vergeven |
| vergeeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vergeven |
| vergeve | aanvoegende wijs | vergeven |
| vergevend | onvoltooid deelwoord | vergeven |
| vergevende | woordvorm | vergeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vergeven zijn vastgelegd.