beleven
werkwoord bəˈlevə(n)Betekenis
- meemaken, ondervinden, ervaren
Hoe spreek je beleven uit?
/bəˈlevən/
Beleven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| e | veel |
| v | vis |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beleven
belevenhele werkwoord — beleefdeverleden tijd enkelvoud — beleefdenverleden tijd meervoud — beleefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beleef | beleefde |
| jij | beleeft | beleefde |
| hij, zij, het | beleeft | beleefde |
| wij | beleven | beleefden |
| jullie | beleven | beleefden |
| zij | beleven | beleefden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| beleef | gebiedende wijs |
| beleefd | verleden tijd, deelwoord |
| beleefd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beleefd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beleefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beleefd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beleefd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beleefd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beleefd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beleefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beleefd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beleefd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beleefde | verleden tijd |
| beleve | aanvoegende wijs |
| belevend | onvoltooid, deelwoord |
| ben beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is beleefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beleefd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beleefd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beleefd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beleefd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beleefd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beleefd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beleefd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beleven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beleefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beleefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beleefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beleefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beleefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beleefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beleefd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beleefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beleefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beleefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beleefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beleefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beleefd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beleefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beleefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beleefd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van leven met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van beleven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beleef | gebiedende wijs | beleven |
| beleefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beleven |
| beleeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beleven |
| beleve | aanvoegende wijs | beleven |
| belevend | onvoltooid deelwoord | beleven |
| belevende | woordvorm | beleven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beleven zijn vastgelegd.