steven
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈsteːvə(n)/Betekenis
- voor- of achterstuk van een schip; de ~ wenden een andere koers inslaan.
- langsscheeps constructiedeel, dat een voortzetting vormt van de kielbalk.
Hoe spreek je steven uit?
/ˈstevən/
Steven bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stevens | meervoud |
| steventje | verkleinwoord, enkelvoud |
| steventjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van stijven
Vervoeging van steven
stevenhele werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stevenen
- gebiedende wijs van stevenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stevenen
Vervoeging van steven
stevenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘uiteinde van een schip’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van steven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stevens | meervoud | steven |
| steventje | verkleinwoord | steven |
| steventjes | verkleinwoord meervoud | steven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van steven zijn vastgelegd.