broodbakken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- het bakken van brood
Vervoeging van broodbakken
broodbakkenhele werkwoord — bakte broodverleden tijd enkelvoud — bakten broodverleden tijd meervoud — broodgebakkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bak brood | bakte brood |
| jij | bakt brood | bakte brood |
| hij, zij, het | bakt brood | bakte brood |
| wij | bakken brood | bakten brood |
| jullie | bakken brood | bakten brood |
| zij | bakken brood | bakten brood |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bak brood | gebiedende wijs |
| bakte brood | verleden tijd |
| brood te bakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| brood te zullen bakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| brood zal bakken | bijzin, toekomende tijd |
| brood zou bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| brood zouden bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| brood zoudt bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| brood zullen bakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| brood zullen bakken | bijzin, toekomende tijd |
| brood zult bakken | bijzin, toekomende tijd |
| broodbak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| broodbakkend | onvoltooid, deelwoord |
| broodbakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| broodbakte | bijzin, verleden tijd |
| broodbakten | bijzin, verleden tijd |
| broodgebakken | verleden tijd, deelwoord |
| broodgebakken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| broodgebakken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ev. | gebiedende wijs |
| had broodgebakken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had broodgebakken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had broodgebakken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden broodgebakken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden broodgebakken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden broodgebakken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt broodgebakken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb broodgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben broodgebakken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben broodgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben broodgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben broodgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt broodgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft broodgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft broodgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben broodgebakken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen broodbakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal broodbakken | bijzin, toekomende tijd |
| zal broodgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal broodgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal broodgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou broodbakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou broodgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou broodgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou broodgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) broodbakken brood zou(dt) bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden broodbakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden broodgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden broodgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden broodgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt broodbakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt broodgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen broodbakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen broodbakken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen broodgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen broodgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen broodgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult broodbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult broodbakken | bijzin, toekomende tijd |
| zult broodgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal broodbakken brood zult/zal bakken | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord broodbak
Herkomst
samenstelling van brood en bakken
Woordfamilie van broodbakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bak brood | gebiedende wijs | broodbakken |
| bakke brood | woordvorm | broodbakken |
| bakken brood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | broodbakken |
| bakt brood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | broodbakken |
| bakte brood | verleden tijd | broodbakken |
| bakten brood | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | broodbakken |
| broodbak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | broodbakken |
| broodbakke | with-subordinate-clause | broodbakken |
| broodbakkend | onvoltooid deelwoord | broodbakken |
| broodbakkende | woordvorm | broodbakken |
| broodbakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | broodbakken |
| broodbakte | subordinate-clause, verleden tijd | broodbakken |
| broodbakten | subordinate-clause, verleden tijd | broodbakken |
| broodgebakken | voltooid deelwoord | broodbakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van broodbakken zijn vastgelegd.