archief
zelfstandig naamwoord ɑr'xifBetekenis
- plaats waar (meestal oude) documenten opgeslagen en verzameld worden
- verzameling documenten die zijn gemaakt en/of ontvangen door een persoon of organisatie
Hoe spreek je archief uit?
/ɑrˈxif/
Archief bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| x | acht |
| i | riet |
| f | fiets |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| archiefje | verkleinwoord, enkelvoud |
| archiefjes | verkleinwoord, meervoud |
| archieven | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verzameling van geschreven stukken’ voor het eerst aangetroffen in 1462
Woordfamilie van archief
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| archiefje | verkleinwoord | archief |
| archiefjes | verkleinwoord meervoud | archief |
| archieven | meervoud | archief |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van archief zijn vastgelegd.