inclusief
voorzetsel, bijvoeglijk naamwoord ˌɪŋklyˈzifBetekenis
- met inbegrip van
- als verbinding met een onderdeel waarvan niet vanzelfsprekend is dat het in het geheel wordt meegenomen
- om de aandacht op een onderdeel te vestigen
- omvattend, incorporerend
- gericht op deelname van mensen uit achtergestelde groepen, met de bedoeling maatschappelijke uitsluiting tegen te gaan
- de persoon of groep die wordt aangesproken omvattend. Gezegd met betrekking tot de 1e persoon meervoud in talen die verschillende vormen voor 'wij' gebruiken afhankelijk van het al of niet inbegrepen zijn van de aangeprokene(n).
Hoe spreek je inclusief uit?
/ˌɪŋklyˈzif/
Inclusief bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| l | land |
| y | fuut |
| z | zon |
| i | riet |
| f | fiets |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (voorzetsel)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1.1] incl. | |
| [A] inclusief | canonical |
bijvoeglijk naamwoord
- de persoon of groep die wordt aangesproken omvattend Gezegd met betrekking tot de 1e persoon meervoud in talen die verschillende vormen voor "wij" gebruiken afhankelijk van het al of niet inbegrepen zijn van de aangeprokene(n).
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] inclusief | canonical |
Woordfamilie van inclusief
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inclusiefs | woordvorm | inclusief |
| inclusiefst | woordvorm | inclusief |
| inclusiefste | woordvorm | inclusief |
| inclusieve | woordvorm | inclusief |
| inclusiever | woordvorm | inclusief |
| inclusievere | woordvorm | inclusief |
| inclusievers | woordvorm | inclusief |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inclusief zijn vastgelegd.