zomerkleed
zelfstandig naamwoord ˈzomərˌkletBetekenis
- het verenkleed bij vogels dat gedurende de voortplantingsperiode wordt gedragen. Vooral de mannetjes hebben dan een mooiere versie van het gewone verenpak om indruk te maken op de vrouwtjes
- het zomerse uiterlijk van iets anders
- een luchtig kleurrijk jurkje voor in de zomer
Hoe spreek je zomerkleed uit?
/ˈzomərˌklet/
Zomerkleed bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
| r | rood |
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — neuter
- verenkleed bij vogels gedurende de voortplantingsperiode Vooral de mannetjes hebben dan een mooiere versie van het gewone verenpak om indruk te maken op de vrouwtjes.
- uiterlijk dat hoort bij een zonnige tijd figuratively
- luchtig kleurrijk jurkje voor in de zomer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zomerklederen | meervoud |
| zomerkleedje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zomerkleedjes | verkleinwoord, meervoud |
| zomerkleren | meervoud |
Herkomst
samenstelling van zomer zn en kleed zn
Woordfamilie van zomerkleed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zomerklederen | meervoud | zomerkleed |
| zomerkleedje | verkleinwoord | zomerkleed |
| zomerkleedjes | verkleinwoord meervoud | zomerkleed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zomerkleed zijn vastgelegd.